Vitamine D en implantaatfalen: systematisch onderzoek toont onvoldoende bewijs
Tandartsen hoeven vitamine D niet routinematig te testen of voor te schrijven vóór implantaatplaatsing op basis van huidge evidence.
Onderzoeksbevindingen
Een systematisch literatuuronderzoek van Miron et al. (2025) naar de relatie tussen vitamine D-deficiëntie en vroeg implantaatfalen leverde 43 studies op (27 klinisch, 16 dierstudie). De onderzoekers includeerden casusbeschrijvingen, retrospectieve en prospectieve cohortonderzoeken, en drie gerandomiseerde klinische onderzoeken (RCT's). Van zeven studies die vroeg implantaatfalen als uitkomstmaat rapporteerden, vonden slechts twee een effect van vitamine D-serumwaarde. In één studie faalden twee implantaten van 27 bij patiënten met vitamine D-bloedspiegel onder de 20 nmol/l, tegenover geen in de groep van 20 nmol/l of hoger. Een ander prospectief onderzoek naar 143 implantaten rapporteerde 46,2% implantaatverlies bij bloedspiegel onder de 25 nmol/l versus 3,1% bij waarden van 25 nmol/l of hoger (Mohsen et al., 2024). De overige onderzoeken vonden geen significant verschil.
Kwaliteit en betrouwbaarheid van het onderzoek
De drie RCT's richtten zich op vitamine D-suppletie rondom implantaatplaatsing en het effect op botkwaliteit. Eén RCT vond een significante toename in marginaal botniveau bij patiënten met vitamine D-bloedspiegel onder de 75 nmol/l, maar het absolute verschil bedroeg slechts 0,4 mm, mogelijk een meetfout omdat röntgenfoto's geen gestandaardiseerde mal gebruikten. Een tweede RCT zag geen verschil in botkwaliteit na sinuslift tussen patiënten met en zonder vitamine D-suppletie (125 microgram) en calcium (600 microgram). Een derde RCT vond na zes maanden geen significant verschil in botniveau tussen patiënten met vitamine D-insufficiëntie die werden behandeld met 1,5 mg vitamine D per maand. De bevindingen worden bemoeilijkt door heterogeniteit in de definitie van deficiëntie (variëring van onder de 50 tot onder de 75 nmol/l), terwijl Nederland een ondergrens van 30 nmol/l hanteert voor patiënten onder de 70 jaar.
Implicaties voor de klinische praktijk
Implantaten vertonen in het algemeen zeer hoge overlevingspercentages. Systematische literatuuronderzoeken melden 10-jaars overlevingspercentages tussen 91,2% en 96,5% voor solitaire implantaten (Howe et al., 2019). Ook bij patiënten van 75 jaar en ouder, waar vitamine D-status mogelijk een probleem vormt, bedraagt de 5-jaarsoverleving 96,1% (Schimmel et al., 2018). Op basis van het onderzoek van Miron et al. (2025) is er onvoldoende bewijs voor routinematig testen of voorschrijven van vitamine D voorafgaand aan plaatsing van titanium implantaten. Voor definitieve conclusies is een gerandomiseerde klinische studie onder patiënten met vitamine D-insufficiëntie nodig.
Veelgestelde vragen
Moet ik vitamine D-gehalte testen vóór implantaatplaatsing?
Nee, volgens dit systematisch literatuuronderzoek is er onvoldoende bewijs dat vitamine D-deficiëntie vroeg implantaatfalen veroorzaakt. Routinematig testen of supplementatie voorafgaand aan implantaatplaatsing is vooralsnog niet nodig.
Wat is het risico op implantaatfalen bij lage vitamine D?
Twee prospectieve studies vonden een mogelijk verband, maar onderzoeken tonen zeer hoge overlevingspercentages: 91,2 tot 96,5% na 10 jaar voor solitaire implantaten en 96,1% na 5 jaar ook bij patiënten van 75 jaar en ouder.
Hebben vitamine D-supplementen effect op botniveau rond implantaten?
Drie gerandomiseerde klinische onderzoeken vonden geen consistent effect. Één studie rapporteerde een significante toename, maar het absolute verschil bedroeg slechts 0,4 mm en kan een meetfout zijn.
Welke definitie van vitamine D-deficiëntie gebruiken onderzoeken?
De onderzochte studies hanteren uiteenlopende definities, variërend van onder de 50 tot onder de 75 nmol/l, terwijl Nederland een ondergrens van 30 nmol/l hanteert voor patiënten onder de 70 jaar. Deze heterogeniteit bemoeilijkt vergelijking.
Wat is nodig om het effect van vitamine D op implantaatsucces duidelijk te maken?
Een goed opgezet gerandomiseerd klinisch onderzoek onder patiënten met vitamine D-insufficiëntie is nodig. De huidige evidence bestaat vooral uit cohortstudies zonder randomisatie voor vitamine D-suppletie.